De Tweede-Kamerfractie van de Socialistische Partij wil de wetenschappelijke kritiek op de vooringenomenheid van Milieu Effect Rapportages bij grote projekten betrekken bij het debat over de wetenschappelijke kwaliteit van de RIVM-rapportages, dat de Kamer binnenkort voert bij minister Pronk (VROM).
In de uitzending van VPRO’s Lopende Zaken op 31 januari typeerde wetenschappelijk medewerker De Vries (VU Amsterdam) de MER-studies, oorspronkelijk bedoeld als een onafhankelijke milieutoets op grote projecten, als een legitimatie van reeds genomen kabinetsbeslissingen.
Naar de mening van de SP-Kamerleden Van Bommel en Poppe wordt hiermee opnieuw een signaal afgegeven dat onafhankelijke wetenschappelijke rapportages ter onderbouwing van overheidsbeslissingen in de praktijk geïnspireerd worden door het spreekwoord: “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.”
Vragen SP:
1. Heeft u kennis genomen van de uitzending van VPRO’s Lopende Zaken over de Milieu Effect Rapportage voor de Noordoost tak van de Betuwelijn?
2. Kunt u een verklaring geven voor de door de geïnterviewde wetenschappelijk medewerker van de Vrije Universiteit Amsterdam aangehaalde verschillen tussen de rapporten van de MER NO-tak Betuweroute (onderling, en tussen hoofdrapport en samenvatting)?
3. Kan de minister van VROM een overzicht geven van de uitkomsten van de MER’s voor de belangrijke nationale projecten van de afgelopen tien jaar, met name voor wat betreft het aantal keren dat het voorkeursalternatief van het Kabinet tevens in de MER-rapportage werd aangemerkt als het meest milieuvriendelijke alternatief?
4. Kan de minister van VROM een reactie geven op de stelling van de geïnterviewde wetenschapper dat de MER NO-tak Betuweroute het failliet van de gedachte achter de MER betekent, namelijk het uitvoeren van een onafhankelijke milieutoets op projecten met belangrijke ruimtelijke consequenties?
5. Bent u bereid om onder uw verantwoordelijkheid vervaardigde MER’s voortaan aan strikt onafhankelijke, wetenschappelijke kritiek te onderwerpen, alvorens deze te publiceren?
6. Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het geplande overleg met de Kamer over de wetenschappelijke kwaliteit van de RIVM-adviezen?
