Uitspraak kinderrechters moet worden opgevolgd

21 september '99
Afbeelding protest red de zorg

De Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie blijkt uitspraken van kinderrechters naast zich neer te leggen.
SP-Kamerlid Kant wil hierover opheldering van de minister van Justitie. Kant: ’Het gaat om jongeren in crisissituaties. Jongeren waar volgens kinderrechters direct ingegrepen moet worden. Daar kan en mag deze Dienst niet eigenhandig doorheen fietsen. Als er te weinig plaatsen zijn, en dat is zo, moet dat probleem worden opgelost.’
Kant heeft de minister van Justitie en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de volgende vragen gesteld.

  1. Is het u bekend dat de dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie meerdere malen een verzoek heeft afgewezen – bijvoorbeeld vier maal een verzoek van Jeugdzorg Zeeland en eenmaal een verzoek van het Heerlense bureau Jeugdbescherming, allen gesteund door de kinderrechter – tot plaatsing van jongeren in crisissituaties in gesloten inrichtingen? (1,2,3)
  2. Is het juist dat volgens de wet de kinderrechter een verzoek van bijvoorbeeld een stichting Jeugdzorg inhoudelijk dient te toetsen en dat de genoemde Dienst geen beoordelingsfunctie heeft?
    Zo ja, op welke gronden en op basis van welke kennis machtigt zij zich deze functie toe en hoe verhoudt zich dat tot het onafhankelijk oordeel van de gezinsvoogdij-instellingen en het onafhankelijk oordeel van de rechter?

  3. Vindt u het optreden van de Dienst Justitiële Inrichtingen terecht?
    Zo nee, wat gaat u hieraan doen?

  4. Stelt de Dienst Justitiële Inrichtingen mogelijk strengere richtlijnen op omdat zij kampt met plaatsgebrek in gesloten inrichtingen voor minderjarigen?
    Zo ja, vindt u dat acceptabel temeer daar het in allen gevallen om jongeren gaat die een gevaar voor zichzelf of anderen vormen en van wie de kinderrechter plaatsing noodzakelijk vindt?

  5. Bent u bereid de Dienst op te dragen op basis van de huidige schaarste een voorlopige regeling te treffen met de sector gezinsvoogdij-instellingen en kinderrechter met als uitkomst dat deze jongeren wel op een adequate manier geholpen worden?
  6. Herinnert u zich het antwoord van de toenmalige minister van Justitie op mijn vragen hierover namelijk dat ’het erom gaat at jongeren die geplaatst moeten worden, geplaatst kunnen worden’? (4)
    Zo ja, is er nog steeds sprake van een tekort aan 279 justitiële plaatsen in 2002 en hoe gaat u dat dan oplossen? (5)

  7. Bent u bereid met spoed het aantal gesloten (behandelingsplaatsen) in justitiële inrichtingen op basis van een vraaggerichte benadering vanuit het Openbaar Ministerie en de Sector Gezinsvoogdij uit te breiden en daarvoor de benodigde financi&eum;le middelen beschikbaar te stellen?
  8. Op welke wijze en met welke (financiële) omvang denkt u de jeugdbescherming in Nederland de komende jaren voldoende in staat te stellen om haar moeilijke beschermingstaken te kunnen uitoefenen?

1. Brief aan de minister van Justitie van de Algemeen directeur van stichting Jeugdzorg Zeeland, 15 september 1999
2. PZC 17 september
3. PZC 21 september
4. Kamerdebat nav AO 17 juni over jeugdhulpverlening (25 juni)
5. Lijst van vragen en antwoorden Jeugdzorg 1999-2002 (26211)

Deze website gebruikt cookies!

Deze website maakt gebruik van cookies om uw ervaring te verbeteren en om ons te helpen onze diensten te optimaliseren. Voor meer informatie over hoe wij cookies gebruiken, lees onze cookieverklaring.