Tribune 2/2002 Willem Breuker

31 januari '02
Afbeelding protest red de zorg

Tribune 22 februari 2002

Interview

Willem Breuker

‘Cultuur is nodig om de samenleving leefbaar te houden,’ meent componist en jazzmuzikant Willem Breuker. Hij toont zich kritisch over de eis tot samenwerking met muzikanten uit andere culturen die staatssecretaris voor Cultuur Rick van der Ploeg hem stelt. ‘Ik maak zelf wel uit met wie ik speel. Daar kan een ambtenaar niet over oordelen.’

Tekst Roel Mazure Foto Suzanne van de Kerk

‘Hier beschouwen ze kunstenaars als idioten’

Willem Breuker is van vele muzikale markten thuis. Wie hem toch met één enkel woord wil omschrijven, komt uit bij ‘geëngageerd’.

‘Ach, dat is zo’n beladen begrip! Wat ik doe is niet meer dan een logisch gevolg van mijn afkomst. Ik ben opgegroeid in een socialistisch gezin. Daar werd mij geleerd je iets van de samenleving aan te trekken. Mijn vader was een kind van de crisisjaren en kon daardoor de middelbare school niet afmaken. Daarna volgden voor hem vijf verloren jaren door toedoen van de Tweede Wereldoorlog. Veel vertelde hij daar nooit over, maar ik weet dat hij betrokken was bij de distributie van het illegale Parool. Na de oorlog kwamen de armoedige jaren van de wederopbouw. Het ergste was dat we merkten dat de voormalige zwarthandelaren binnen de kortste keren – (vloek!) – in een vette Duitse auto rondreden. Daar was mijn vader behoorlijk verbitterd over.

Die armoede duurde tot diep in de jaren vijftig. Vaders vakantiegeld ging op aan schoolboeken voor zijn zoons. Hij vond het belangrijk dat wij wél de kans kregen om ons te ontwikkelen. Ik ben blij dat hij nog heeft mogen meemaken, dat mijn broer huisarts werd en ik met mijn muziek de wereld in trok. Ondanks mijn mislukte HBS-opleiding. Ik ben van school gegaan, omdat ik er niet tegen kon dat leraren je maar wat op de mouw spelden en je het zelfstandig denken ontnamen. Altijd had ik het gevoel dat er een onuitgesproken machtstrijd gaande was. Je bouwt toch geen maatschappij op door elkaar slaafs en laf achterna te lopen?’

Hoe is de muziek in je leven gekomen. Die zal toch niet uit de lucht zijn komen vallen?

‘Zeker niet. Mijn ouders hebben elkaar zelfs ontmoet in een socialistisch zangkoor. En mijn vader zong thuis liederen van Hanns Eisler, de grote componist van de communistische arbeidersbeweging, met teksten van Bertolt Brecht. Er is altijd muziek in mijn leven geweest. Ik heb er een haat/liefde-verhouding mee, waarbij periodieke muzikale obsessies soms tot die haat leiden.

Natuurlijk luisterde ik veel naar de radio. Bovendien mocht ik al snel naar de Volksmuziekschool voor, zeg maar, algemeen vormend muziekonderwijs. Die school was overigens wel erg christelijk. De enige persoon van wie ik werkelijk wat leerde, was de nu nog steeds actieve Maarten Kooij. Een fantastische, inspirerende man. Maar hij werd van school getrapt, omdat hij zich niet netjes aan het lesprogramma hield. Zijn belangrijkste les was dat muziek nooit tégen je is, maar altijd vóór. Verder waren het verprutste jaren op die Volksmuziekschool. De lessen waren erg prestatiegericht en je werd zo ongeveer afgetuigd als je het niet goed deed. Primaire vragen als: wat maakt muziek tot goede muziek? kwamen helemaal niet aan de orde.’

Maar is zo’n vraag überhaupt wel op een zinvolle manier te beantwoorden?

‘Ja, want je kunt best objectieve normen aan muziek stellen. Voor mij is het bijvoorbeeld relevant hoe je met muziek omgaat. Je kunt kiezen voor een wat domme benadering van het materiaal en vier maten lang hetzelfde akkoord blijven spelen. Dat is wat de popmuziek doet. Kan best aardig klinken, maar je kunt je afvragen wat je daar mee wilt.

In mijn ogen lever je met muziek commentaar. Aan de basis van muziek ligt een systeem en een theorie, waarop commentaar mogelijk is. Luister maar eens naar een hervormer als Schönberg. Die borduurde voort op de chromatische behandeling van de muziek van Wagner en Mahler en ontwikkelde het twaalftoonssysteem. De essentie daarvan was dat je een noot niet eerder mocht gebruiken, dan dat je alle andere elf tonen uit het octaaf had gespeeld. Wat mij betreft is vooral de mentaliteit die achter zo’n vernieuwing zit belangrijk.’

Met alle respect, het resultaat is muziek die niet altijd voor iedereen toegankelijk is. Loop je daarmee niet het risico publiek van je te vervreemden?

‘Of muziek voor publiek toegankelijk is of niet, vind ik niet belangrijk. Ook als muzikant moet je doen waar je zin in hebt. Maar eerlijk gezegd ben ik er wel verbaasd over dat muziek binnen het culturele spectrum zo’n bijzondere plaats inneemt. Naar moderne muziek van honderd jaar geleden wordt eigenlijk nog steeds niet geluisterd. Vergelijk dat eens met de literatuur. Die loopt vaak voor op maatschappelijke ontwikkelingen, maar wordt wél gelezen. Ook met moderne architectuur hebben mensen geen moeite, terwijl je toch de meest onhandige dingen gerealiseerd ziet worden. Voor moderne schilderkunst gaat precies hetzelfde op, daar wennen mensen wel aan. Met muziek ligt het blijkbaar toch anders. Niemand wil er kennelijk aan wennen. Ze lopen er van weg. Misschien omdat je je daarvoor moet inspannen. En omdat het onderwijs ons niet leert luisteren. Op scholen luisteren ze liever naar die gelikte, treurige liedjes van Kinderen voor Kinderen. Ik denk weer aan Eisler, die zei dat hij muziek wilde componeren waarbij je niet van tevoren je hersens bij de garderobe moest inleveren.’

Hoe verliep jouw eigen muzikale ontwikkeling?

‘Door regelmatig van school te spijbelen. Als jongen ploos ik de Vara-gids uit naar interessante uitzendingen. En dan verzon ik wel weer een smoesje om thuis te kunnen luisteren. Wat écht interessant was onthield ik. Hier verderop, in de Jacob van Campenstraat, was een muziek-

bibliotheek. Daar luisterde ik bijvoorbeeld naar Edgar Varése. Daar kreeg ik echt een rooie kop van! Zijn muziek gaf je het gevoel dat er méér was. Van het eerste geld dat ik met mijn krantenwijk verdiende kocht ik platen met de strijkkwartetten van Schönberg. Mijn ouders waren daar niet dolenthousiast over, maar veroordeelden mijn keuzes nooit. Ik kreeg hoogstens het verzoek of het misschien mogelijk was die muziek te draaien als zij er niet waren.

Ja, ik geef toe, dat het ontdekken van muziek vaak een eenzame tocht door het bos was. Tegelijkertijd wakkerde het ook mijn ambitie aan om zelf te spelen. Het liefst op piano, maar daar was thuis uiteraard geen geld voor. En fluit vond ik maar niets. Uiteindelijk koos ik, nadat ik een film over Benny Goodman had gezien, voor klarinet. Via de Volksmuziekschool kon ik er een op afbetaling kopen.’

Het was het begin van een lange en vooral veelzijdige muziekcarrière. Breuker beperkte zich niet tot de klarinet, maar voegde daar later de saxofoon aan toe. Op 21-jarige leeftijd debuteerde hij in het orkest van de legendarische Boy Edgar. In datzelfde jaar bleek Breukers maatschappelijke betrokkenheid toen tijdens het jazzconcours van Loosdrecht zijn compositie Lithany for the 14th June, 1966 werd uitgevoerd. De titel verwijst naar de Amsterdamse bouwvakkersopstand in dat jaar.

‘Muziek is abstract, maar ik zoek wel verbinding met de maatschappij. Ik ben componist en improvisator. Mijn noten moeten natuurlijk wel ergens vandaan komen. Daarom kijk ik om mij heen en verplicht ik mezelf meningen te vormen. Die breng ik tot uiting in mijn muziek.’

De meest recente cultuurnota van staatssecretaris Rick van der Ploeg heeft nogal wat rumoer veroorzaakt onder de Nederlandse kunstenaars. Wat denk jij van het Nederlandse cultuurbeleid?

‘In Engeland zijn ze trots op hun kunstenaars. In Nederland niet. Hier beschouwen ze kunstenaars als idioten. Maar cultuur is wél belangrijk voor het welzijn van een samenleving. Cultuur moét! Zoals een lantaarnpaal moet branden. In onze westerse cultuur heeft nieuwe kunst altijd aan de kant van de vrijheid gestaan. Zoals de componist Ferruccio Busoni eens heeft gezegd: Kunst is vrij geboren en vrijheid is haar bestemming.

Kunst heeft nog steeds tot taak om de vrijheid overeind te houden. Daarom moet zij een beroep doen op de intelligentie van haar gebruikers. Dat echter niet zonder zelf intelligent te zijn. Het hele ratjetoe van de tegenwoordige ‘populaire’ muziek is niets anders dan een product van de entertainmentindustrie. Die stupide, met simpele computerprogramma’s gegenereerde vierkwartsmaat doet slechts een beroep op de meest stupide reflexen van mensen.

Wat ik mis in de cultuurparagraaf van het SP-verkiezingsprogramma is een beschouwing over de dynamiek van werkelijke culturele vernieuwing. Als zelfs jullie daar niet over durven te praten, welke partij dan wel? De culturele commercie wil onze hersens aan de kapstok hangen. Daarop is een politiek antwoord nodig, maar niet in de vorm van meer bureaucratie en meer subsidie. Want dat geld gaat voor het grootste gedeelte helemaal niet naar de kunst, maar naar de kunstpausen en hun bureaucratische, alles verstikkende apparaten. Van dat soort keurslijven zou je de kunst juist moeten bevrijden.’

Jij hebt makkelijk praten, want het Willem Breuker Kollektief behield gewoon zijn subsidie. Wat had je gedaan als jullie wél gekort waren?

Nonchalant haalt Breuker zijn schouders op. ‘Je moet in ieder geval niet afwachten, maar zelf dingen ondernemen. Je nek uitsteken, strijd leveren, anders gebeurt er nooit wat. Dat is ook precies de reden waarom ik in 1975 begon met de Klap op de Vuurpijl, de serie concertavonden tussen Kerst en de jaarwisseling. Voor die tijd waren alle podia in die periode gewoon gesloten. Er was niets te doen in de stad. Hoogstens kon je met je kinderen naar zo’n fascistische Walt Disney-film. Maar ik dacht: Gooi open dat theater! En de mensen kwamen!

Ook mijn platenlabel BV Haast is op zo’n manier ontstaan. Bestaande platenmaatschappijen zagen niets in mijn muziek. Of wilden een dikke vinger in de pap en bepalen wat ik moest opnemen. Toen ben ik zelf maar begonnen. Natuurlijk zit daar ook egotripperij achter. Platen en cd’s vormen een visitekaartje. Het gevolg was dat we in Amerikaanse jazzbladen op goede besprekingen werden onthaald. In Nederland werd dat als een overwinning gezien, want plotseling kreeg het Kollektief hier ook lovende recensies.’

In Europa lopen we graag achter de Amerikanen aan. Dat is na 11 september ook weer heel duidelijk geworden. Zijn die aanslagen voor jou ook een inspiratie voor muzikaal commentaar?

‘Nee, die aanslagen doen me helemaal niets. Wat er daarna gebeurde is pure massahysterie. Wij waren in die tijd in Italië. De mamma-mia’s waren niet van de lucht en al onze concerten werden – (vloek!) – afgelast. Maar inderdaad zien die Amerikanen zichzelf als centrum van de wereld en hebben ze nauwelijks oog en oor voor andere culturen. Ja, ons Kollektief heeft dat wél. Vorig jaar hebben we nog concerten gespeeld met de Turkse zangeres Sezen Aksu en een Hindoestaanse muzikant. Wat mij dan ook stoort is dat Van der Ploeg ons in zijn cultuurnota interculturele samenwerking oplegt. Ik maak zelf wel uit wanneer samenwerking interessant is. Ambtenaren kunnen daar niet over oordelen!’

Willem Breuker (1944), saxofonist, klarinettist, componist en improvisator, laat zich niet in een hokje plaatsen. Pakweg 35 jaar geleden speelde hij free-jazz, dat door critici neerbuigend piep-knor muziek werd genoemd. Maar Breuker trad ook op in het orkest van Boy Edgar en schreef muziek voor films van Freek de Jonge (De Illusionist) en Johan van der Keuken. Dit jaar maakt hij de muziek voor een documentaire over de illustere communist Fré Meis.

Breuker was jarenlang voorzitter van de Stichting Jazz in Nederland en stond aan de basis van de Beroepsvereniging voor Improviserende Musici. Verder was hij medeoprichter van de Instant Composers Pool en het orkest De Volharding. Met zijn Willem Breuker Kollektief bouwde hij sinds 1975 een internationale reputatie op. Daarnaast beheert Breuker zijn eigen platenlabel (BV Haast). Tenslotte organiseert hij, om zich zelf en zijn Kollektief werk te verschaffen in de donkere dagen tussen Kerst en de jaarwisseling, al ruim 25 jaar de Klap op de Vuurpijl, met steevast een keur aan vernieuwende muzikanten en artiesten.

Inhoud

  • 6 maart: raadsverkiezingen! Overal in het land zijn duizenden SP’ers keihard bezig om de campagne tot een succes te maken en de sympathie te oogsten die jarenlang gezaaid is. Daarbij wordt veel creativiteit aan de dag gelegd. De Tribune maakt een ronde door Nederland.
  • Gerard Scargo richtte zijn lens op de ‘achterkant’ van de SP-verkiezingscampagne. Dat leverde mooie platen op die we u niet willen onthouden. Twee pagina’s campagne in beeld.
  • Voor de zoveelste keer wordt de WAO op de schop genomen, als het aan de SER ligt. Eerder zette Paars al haar kaarten op de reïntegratie van WAO’ers via een open markt voor zogenaamde reïntegratiebedrijven (RIB’s). Of deze miljoenen verslindende bedrijfstak soelaas biedt, is zeer twijfelachtig.
  • 16 maart: Dag van de Tomaat! Om het succes bij de raadsverkiezingen te vieren, én als enthousiast startschot voor de campagne voor de Kamerverkiezingen. Hoe u mee in één dag de wereld rond kunt, leest u achterop dit blad.
  • Cartoons van Kees Willemen en Saarloos / Nieuws / Agenda / SP op internet, radio en tv / Bulletin Board / De woorden uit de mond / Brieven / ROOD-pagina

Deze website gebruikt cookies!

Deze website maakt gebruik van cookies om uw ervaring te verbeteren en om ons te helpen onze diensten te optimaliseren. Voor meer informatie over hoe wij cookies gebruiken, lees onze cookieverklaring.