Spreekrecht voor Europarlementariërs - eerste termijn Agnes Kant

07 juni '99
Afbeelding protest red de zorg

Mevrouw Kant (SP): Voorzitter! Ik zag in
het blad Binnenlands bestuur een leuke cartoon.
Daarin stond een europarlementariër die zich
hier bij de balie komt melden. Eronder staat:
De Tweede Kamer overweegt de Nederlandse
europarlementariërs spreekrecht te geven.
De mijnheer vraagt: waar moet ik declareren?
Ik vond het erg leuk.
Vandaag spreken wij nog niet over spreekrecht
of het vragenrecht van europarlementariërs
in de Kamer. Daarover wordt eerst gezaghebbend
advies gevraagd. Aan de ene kant is mijn
fractie benieuwd naar dit advies. In onze
ogen is het staatsrechtelijk niet juist om
europarlementariërs hier spreekrecht te geven.
Aan de andere kant hebben wij niet zoveel
behoefte aan dat advies, omdat wij dat spreekrecht
niet gewenst vinden. Wat hebben europarlementsleden
in deze Kamer te zoeken? De Kamer is gekozen
om de regering te controleren. De europarlementsleden
zijn gekozen om de Europese Commissie te
controleren. Laat iedereen zich bij zijn
leest houden. Of beter gezegd: laat iedereen
zich bij zijn mandaat houden.
De heer Van Middelkoop (GPV): Mevrouw Kant
zei dat het staatsrechtelijk niet juist is
om europarlementariërs hier spreekrecht te
geven. Ik denk dat dit niet vol te houden
is. Het is constitutioneel niet juist om
ze zomaar het recht te geven, ministers te
bevragen en ter verantwoording te roepen,
maar dat is iets anders. Het is heel wel
mogelijk — en dat staat mij een beetje voor
ogen — om bijvoorbeeld bij een debat over
de status van Europa de delegatieleiders
uit het Europees Parlement hier elk vijf
minuten een verhaal te laten houden, waarbij
zij hun mening geven over dat document. Vervolgens
kunnen wij dat al dan niet oppakken en meenemen
in het debat met de regering. Wij zijn er
toch vrij in, ze dat recht te geven?
Mevrouw Kant (SP): Dat is waar. Maar als
het echt erom gaat, ze spreekrecht te geven,
vraagrecht te geven en het recht te geven
om mee te doen aan het debat net zoals voor
Kamerleden geldt, vind ik dat het staatsrechtelijk
niet juist is. Als het erom gaat te doen
zoals u zegt — een van de voorstellen in
de brief gaat daarover — is dat misschien
formeel-staatsrechtelijk juist, maar is dat
wel een beetje gekunsteld. Dat mag in ons
stelsel constitutioneel mogelijk zijn, maar
daarmee vindt mijn fractie het nog niet gewenst.
De heer Brood (VVD): Als u vindt dat het
constitutioneel en staatsrechtelijk toelaatbaar
is, kunt u mij misschien vertellen waaraan
de Kamer dat spreekrecht ontleent. Dat hangt
niet samen met een zelfstandig recht van
de Kamer om te spreken, maar met het recht
van de Kamer om antwoord op vragen om inlichtingen
te krijgen, met het recht om deel te nemen
aan wetgevingsprocessen en met de ministeriële
verantwoordelijkheid ex artikel 42 van de
Grondwet. Het spreekrecht van de Kamer is
een afgeleid recht dat wij niet eens kunnen
delegeren. Ik begrijp dan ook de staatsrechtelijke
verantwoording niet voor wat u nu vertelt.
Mevrouw Kant (SP): Ik begrijp uw interruptie
niet zo goed. Ik heb niet gezegd dat het
constitutioneel juist is. Ik heb gezegd dat
daarover advies wordt gevraagd. Als dat advies
inhoudt dat sommige dingen constitutioneel
wel kunnen, is mijn fractie daar toch niet
voor, omdat wij dat onwenselijk vinden. De
constitutionele vraag wordt nu voorgelegd
aan gezaghebbende deskundigen.
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66): Er worden
een aantal voorstellen gedaan. Als u categorisch
zegt dat zij constitutioneel wel kunnen,
maar dat u ze gewoon niet wil, dan zijn wij
snel uitgesproken.
Mevrouw Kant (SP): Of zij allemaal kunnen,
weet ik niet en dat weten u en de voorzitter
van de Kamer ook niet. Daarover wordt juist
advies ingewonnen.
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66): Wat hier
ligt, kan constitutioneel wel, althans volgens
het Presidium en ook volgens mij. Vervolgvragen
worden aan de Raad van State voorgelegd.
Of u zegt: constitutioneel kan het wel, maar
ik wil het gewoon niet. Dat is dan duidelijk
en dan praten wij er verder niet over. Of
u zegt: het kan ook constitutioneel niet.
Als u dat zegt, wil ik graag weten wat constitutioneel
niet kan.
Mevrouw Kant (SP): Voorzitter! Ik was nog
steeds bezig met mijn inleiding. Over hoe
wij denken over de voorstellen in de brief
kom ik nog te spreken. Dat moet u nog even
afwachten. Ik heb alleen gezegd dat er zaken
zijn waarvan het de vraag is of zij constitutioneel
kunnen. Die vraag wordt voorgelegd aan deskundigen.
Het antwoord wachten wij af. Als het advies
luidt dat een aantal zaken, zoals dat beoogde
spreekrecht, constitutioneel mogelijk zijn,
is mijn fractie er nog niet voor dat europarlementariërs
hier spreekrecht krijgen. Ik vind namelijk,
zoals gezegd, dat iedereen zich bij zijn
leest moet houden. Of beter gezegd: iedere
vertegenwoordiger moet zich bij zijn mandaat
houden. Het mandaat van Kamerleden is het
controleren van de regering en het mandaat
van europarlementsleden is het controleren
van de Europese Commissie.
Ik kom tot de brief van het Presidium die
bij de lijst zat waarover wij het vandaag
hadden. In die brief heeft het Presidium
aangegeven wat het doel is om de betrokkenheid
van de europarlementsleden te vergroten.
Als eerste punt wordt aangegeven een sterkere
opstelling tegen het kabinet als het gaat
om Europese zaken. Een sterkere controle,
denk ik dan. Mijn fractie is het ermee eens
dat er een sterkere controle moet komen op
dat punt. Daar moeten dan vooral Kamerleden
voor zorgen. Zij moeten dat invullen. Als
dat op dit moment onvoldoende is, moeten
Kamerleden dat zichzelf vooral aantrekken.
Als Kamerleden zeggen dat zij de europarlementariërs
daarbij nodig hebben, geven zij zichzelf
een brevet van onvermogen.
Het tweede doel was meer betrokkenheid van
het europarlement bij de Nederlandse besluitvorming.
Die zin bevat een tegenstelling en ik ben
het daar dan ook niet mee eens. Ook al hebben
veel debatten hier steeds meer met Europa
te maken, het blijft Nederlandse besluitvorming.
Daarmee is het de verantwoordelijkheid van
de nationale Kamerleden. Als het bij meer
betrokkenheid gaat om meer betrokkenheid
in de controlerende rol, dan vind ik dat
niet juist. Het kan ook gaan om betrokkenheid
in de zin van: europarlementariërs hebben
nu eenmaal veel kennis en informatie als
het gaat om Europa en dat is in het belang
van de controlefunctie van Kamerleden. Mijns
inziens is het primair de verantwoordelijkheid
van politieke partijen om deze kennis van
europarlementariërs zelf te vergaren. Vervolgens
is het de verantwoordelijkheid van fracties
om daar goed over te communiceren. Mijn fractie
heeft er geen behoefte aan dat voor deze
informatie-uitwisseling en communicatie in
deze Kamer een infrastructuur wordt opgezet.
Kijkend naar de punten in de voorliggende
brief moge het duidelijk zijn dat mijn fractie
hier weinig behoefte aan heeft. Echter, tegen
de meeste punten hebben wij geen echt grote
bezwaren, omdat er geen echt spreekrecht
voor europarlementariërs in besloten ligt.
Wij hebben er zelfs geen bezwaar tegen dat
europarlementariërs mee mogen met reisjes
van de algemene commissie voor Europese Zaken.
Er is namelijk uitdrukkelijk bepaald dat
dit op eigen kosten gebeurt. Ik neem aan
dat met “eigen kosten” ook echt eigen kosten
wordt bedoeld en niet het onkostenvergoedingensysteem
van het europarlement. Als dat wel zo is,
hebben wij daar uiteraard bezwaar tegen.
Tegen twee punten uit de brief maakt mijn
fractie wel bezwaar. Een aantal sprekers
voor mij heeft daar ook al op gewezen. Het
eerste betreft de deelname van europarlementariërs
aan de mogelijk jaarlijkse debatten van de
Staten van de Unie. Ik denk dat er dan wel
sprake is van spreekrecht. Daarmee zou het
vallen onder de zaken waarover eerst advies
wordt gevraagd. Het tweede betreft de deelname
van europarlementariërs aan het wekelijkse
Europaoverleg. Europarlementariërs wordt
dan de gelegenheid gegeven om aan het start
van zo’n AO opmerkingen te maken en vragen
te stellen in aanwezigheid van het kabinet.
Vervolgens is het aan Kamerleden om daarvan
in het daarop volgende debat gebruik te maken.
Dit is een grensgeval, maar wij neigen ertoe
om dit als spreekrecht te zien. Waarom dit
recht wel geven aan europarlementariërs,
terwijl vele andere mensen in Nederland dat
recht niet hebben? Als het bedoeld is om
ze ter versterking van de controlefunctie
van de Kamer de gelegenheid te geven hun
deskundigheid, kennis en ervaring tot uitdrukking
te brengen, dan ken ik in Nederland nog vele
andere ervaringsdeskundigen die ik in aanwezigheid
van bewindslieden het woord zou willen geven
bij heel veel van onze vergaderingen. Ik
denk dan aan mensen uit de zorg, het onderwijs,
mensen die afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering
enz. Het hebben van ervaringsdeskundigheid
vind ik geen reden om mensen spreekrecht
te geven.
De heer Timmermans (PvdA): Als uw fractie
dat wenst, kan zij bij een AO een persoon
uit de door u bedoelde doelgroepen als adviseur
betrekken. Die mogelijkheid bestaat. U moet
nu niet net doen alsof er aan europarlementariërs
in de AO’s iets wordt geboden dat niet aan
anderen wordt geboden. Zij functioneren als
adviseurs.
Mevrouw Kant (SP): Als dat zo is, vraag ik
mij af waarom dit zo wordt voorgesteld. Het
is niet waar dat dit nu al kan. Mijn fractie
heeft vele adviseurs, vooral in de groepen
die ik zo-even noemde. Ik noem mensen die
de problemen het onderwijs kennen, mensen
in de gezondheidszorg, mensen die aan den
lijve de gevolgen van het paarse beleid ondervinden,
mensen die in armoede leven, mensen die moeten
rondkomen van een bijstandsuitkering; dat
zijn allemaal deskundigen die wij heel graag
spreekrecht in deze Kamer zouden willen geven.
Nu wordt voorgesteld dat europarlementariërs
bij aanvang van een commissievergadering
over Europese zaken hun zegje mogen doen.
Dat vinden wij een gekunstelde vorm van spreekrecht.
Daarom zijn wij daar niet voor.

Deze website gebruikt cookies!

Deze website maakt gebruik van cookies om uw ervaring te verbeteren en om ons te helpen onze diensten te optimaliseren. Voor meer informatie over hoe wij cookies gebruiken, lees onze cookieverklaring.