Wie door de plannen van het kabinet van D66, CDA en VVD heen kijkt, ziet een duidelijke lijn. Dit is een kabinet voor welgesteld Nederland. Niet alleen omdat er hard wordt bezuinigd op de zorg en sociale zekerheid, maar vooral door de visie die achter deze keuzes schuilgaat. Een visie waarin ongelijkheid wordt genormaliseerd, risico’s worden geprivatiseerd en solidariteit wordt teruggebracht tot een morele oproep zonder dat dit georganiseerd wordt.
Dat vraagt om meer dan onvrede over afzonderlijke maatregelen. Het vraagt om onderbouwde oppositie tegen de onderliggende ideologie. De ideologie van het neoliberalisme.
Het neoliberalisme is terug van nooit weggeweest
Het neoliberalisme presenteert zich als pragmatisch, gematigd en redelijk. De harde taal van vroeger heeft plaatsgemaakt voor woorden als “houdbaarheid”, “keuzes”, “prikkels” en “eigen verantwoordelijkheid”. Onder deze verpakking schuilt hetzelfde oude denken. Centraal staat een eenzijdig mensbeeld. De mens als individu dat rationeel zijn eigen belang maximaliseert. Succes wordt gezien als het resultaat van talent en inzet. Tegenslag als persoonlijk falen. Pech wordt daarmee eigen schuld.
Dit mensbeeld is niet alleen onjuist, het is politiek gevaarlijk. Het negeert dat mensen leven binnen sociale structuren, met klassenverschillen, ongelijke startposities, verschillende gezondheid, opleidingskansen en levensverwachting. Daarmee legitimeert het ook ongelijkheid. Want als succes je eigen verdienste is, dan is armoede ook je eigen schuld.
Het neoliberalisme verschuift de verantwoordelijkheid van de samenleving naar het individu. Solidariteit wordt iets wat je vooral moet voelen, niet iets wat collectief wordt georganiseerd en gefinancierd. Zo wordt de verzorgings staat verder afgebroken en vervangen door een minimale waarborgstaat. Nét genoeg om totale ontwrichting te voorkomen, maar te weinig om echte zekerheid te bieden.
Sociale zaken en zorg worden geprivatiseerd
Nergens wordt deze visie zo concreet als in de zorg en de sociale zekerheid. Dit kabinet kiest voor miljardenbezuinigingen op de zorg en voor verdere versobering van de WW, WIA en een verhoging van de AOW-leeftijd. Niet omdat het onvermijdelijk is, maar omdat het past binnen een ideologisch kader waarin risico’s steeds meer bij individuen worden neergelegd. Hiermee worden de belangen van kapitaalbezitters en -verschaffers gediend. Zij onttrekken hun verantwoordelijkheid voor de samenleving en het geheel. Wat ten koste gaat van de werkende klasse: iedereen die voor inkomen afhankelijk is van werk, een uitkering of AOW en pensioen.
De zorgbezuinigingen raken ouderen, jongeren en zorgverleners tegelijk. Ouderen krijgen te maken met minder personeel, minder tijd en hogere eigen bijdragen. Voor hen betekent dit meer onzekerheid, een groeiende afhankelijkheid van mantelzorg en in sommige gevallen onveilige situaties. Jongeren die mentale zorg nodig hebben, komen op steeds langere wachtlijsten of krijgen helemaal geen passende hulp. Problemen worden vooruitgeschoven totdat ze escaleren. Wat nu als “kostenbeheersing” wordt gepresenteerd, keert later terug als menselijk leed en hogere maatschappelijke kosten. Zorgverleners ervaren dagelijks de gevolgen. Zij worden behandeld als kostenposten die efficiënter moeten werken. De werkdruk neemt toe, de ruimte voor professioneel handelen neemt af en steeds meer mensen verlaten de sector. Dat is het directe gevolg van beleid dat zorg onderwerpt aan marktlogica en bezuinigingen.
Tegelijkertijd wordt de sociale zekerheid verder uitgekleed. De WW biedt korter en minder bescherming. De WIA wordt strenger en ontoegankelijker, waardoor mensen die niet volledig kunnen werken tussen wal en schip vallen. De AOW-leeftijd blijft stijgen, los van de realiteit van mensen met zware beroepen.
Deze maatregelen treffen mensen niet in gelijke mate. Een hogere AOW-leeftijd raakt een schoonmaker, zorgverlener, vrachtwagenchauffeur of bouwvakker harder dan een consultant of bankier. Mensen met zware beroepen hebben vaker gezondheidsproblemen, een lagere levensverwachting en minder mogelijkheden om langer door te werken. Ook jongeren moeten uiteindelijk veel langer doorwerken. Zij leveren jaren in van hun oude dag. Hetzelfde geldt voor de zorg. Hogere eigen bijdragen en versobering van toegang raken vooral mensen met lage en middeninkomens. Wie geld heeft, kan zorg bijkopen of privaat organiseren. Wie dat niet kan, gaat zorg mijden. Zo verdiept beleid dat zegt “iedereen gelijk te behandelen” in de praktijk juist de ongelijkheid.
Woningen voor de winst
Onze volkshuisvesting blijft een markt. Ook hier laat het neoliberalisme zijn sporen na. Wonen is steeds verder verschoven van een basisrecht naar een beleggingsobject. Huurders krijgen te maken met stijgende huren en onzekerheid, terwijl vastgoedbezitters en huiseigenaren van de grootste en duurste woningen structureel worden bevoordeeld. Zo betalen huurders de rekening van de wooncrisis.
Miljarden aan belastingvoordelen, zoals de hypotheekrenteaftrek, komen vooral terecht bij de hoogste inkomens. Van de 11 miljard euro aan hypotheekrenteaftrek, komt de helft terecht bij de 20 procent rijkste Nederlanders. Tegelijkertijd worden sociale huurwoningen verkocht, huren verhoogd en volkshuisvesting verder uitgehold. Dat is geen natuurverschijnsel, maar het resultaat van bewuste politieke keuzes.
De uitverkoop van de volkshuisvesting ondermijnt sociale samenhang. Wijken worden investeringsobjecten en bewoners een sluitpost. Voor jongeren betekent dit een onbereikbaar toekomstperspectief en voor huurders en woningzoekenden grote bestaansonzekerheid.
Geen economie zonder democratie
In de economie botst de visie van het neoliberalisme met democratische principes. Waar in de democratie de stelregel van: één mens, één stem geldt, is de stelregel van de markt: één euro, één stem. Zo verschuift alle macht richting kapitaalbezitters.
Het mag geen verrassing zijn dat de plannen van het kabinet Jetten één op één zijn overgenomen van het rapport van oud-ASML-CEO Peter Wennink. Voor dit rapport is wel gesproken met de ‘captains of industry’ en niet met de vakbonden of werknemers. De aanbevelingen van het rapport zijn dan ook voorspelbaar. Het bedrijfsleven wil miljarden aan publieke investeringen in de private sector en de sociale zekerheid en werknemersrechten moeten beperkt worden om internationaal concurrerend te blijven. Zo worden risico’s gesocialiseerd en de opbrengsten geprivatiseerd. Tegelijkertijd wordt de politiek gegijzeld door internationale concurrentiedruk en de dreiging van kapitaalvlucht. Het leidt tot een race to the bottom die ten koste gaat van onze verzorgingsstaat en werknemersrechten.
De SP heeft altijd gepleit voor een actieve industriepolitiek voor cruciale sectoren. Maar dan moeten publieke middelen wel publieke belangen dienen. Dus geen publieke middelen om private winsten veilig te stellen. En voor iedere geïnvesteerde euro moet zeggenschap terugkomen.
Een samenleving onder druk
De gevolgen van meer neoliberaal beleid zijn voorspelbaar. Een toenemende ongelijkheid, tweedeling en polarisatie zetten onze samenleving onder druk. Want niet iedereen draagt dezelfde lasten. Huurders en woningzoekenden meer dan vastgoedbeleggers. Mensen met een lagere levensverwachting meer dan mensen met een hoge levensverwachting. Zieken meer dan gezonden. Mensen met tegenslag of pech meer dan anderen. Maar de afbraak van solidariteit raakt onze samenleving wél als geheel.
De opeenstapeling van afbraak zaait onzekerheid en wanhoop. En wanhoop is een voedingsbodem voor woede en verdeeldheid. Wie bestaanszekerheid afbreekt, ondergraaft het vertrouwen in politiek en samenleving. Wie solidariteit uitholt, oogst polarisatie. Wie wind zaait, zal storm oogsten.
Alternatieven en tegenmacht
Samenwerken met dit kabinet aan afbraak in de hoop op kleine concessies is geen constructiviteit maar medeverantwoordelijkheid. Afbraak is niet constructief. Echte constructiviteit betekent kiezen voor een andere richting. Voor sociale zekerheid als recht. Voor zorg en wonen zonder markt. Voor een economie met democratie. Voor georganiseerde solidariteit als basis voor menselijke waardigheid en gelijkwaardigheid.
Dit kabinet van D66, CDA en VVD is een minderheidskabinet. Dat is geen detail. Dat betekent dat wij met meer zijn. Het betekent dat tegenmacht voor alternatieven mogelijk is. Mits zij wordt georganiseerd.
Die tegenmacht ligt niet alleen in het parlement, maar juist daarbuiten. Bij vakbonden die opkomen voor fatsoenlijke lonen, veilige arbeidsomstandigheden en een eerlijke oude dag. Bij zorgverleners die een grens trekken en aangeven dat het zo niet verder kan. Bij huurders en jongeren die zich organiseren tegen onbetaalbare huren en woningen. Bij mensen die zeggen: “Genoeg is genoeg”.
Op lokaal niveau is die tegenmacht juist nu cruciaal. In onze buurten en dorpen zien wij dagelijks de gevolgen van landelijk beleid. Mensen die zorg mijden, jongeren zonder perspectief, woningnood die wijken ontwricht.
Heel Nederland kan menselijker en socialer. Dat vraagt om alternatieven en een stevige tegenmacht. Om een SP die nu samen met mensen, vakbonden en maatschappelijke organisaties opstaat voor een alternatief. Aan de slag!
